Overdenking april 2018

Huilend boog ze zich naar het graf, en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. ‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze Hem hebben neergelegd.’ Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. ‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. (Johannes 20:12-15)

Als je in de ochtend je gordijn open doet na de nachtrust dan kan het ochtendlicht je verblinden. Je ogen hebben even de tijd nodig om te wennen aan het licht dat erin valt. Daarna zie je pas scherp. Iets soortgelijks lijkt hier in het evangelie van Johannes ook zo te zijn.

Maria, kijkt in het lege en donkere graf, ze ziet daar zelfs in de donkerte twee engelen in witte kleren, maar ze kan dat op dat moment niet bevatten. In de vroege morgen bij het opkomende licht klinkt die vraag “Waarom huil je?” “Ze hebben mijn Heer weggehaald.” Maria wordt gekend in haar verdriet, zelfs nadat ze antwoord heeft gegeven. De engelen ontkennen het niet, maar lijken haar aan te horen. De vraag die ze stellen is dan ook veelzeggend. Ze zeggen niet wat Maria wel moet geloven, maar ze geven haar de gelegenheid haar verdriet ook te delen.

De aanwezigheid van de engelen zou Maria genoeg reden moeten geven om haar huilen om te zetten in ontzetting of grote opgewondenheid. Maar ze is zó intens verdrietig, dat ze niet ziet hoe vreemd, hoe hemels het eraan toe gaat. Het ontroerende is dus dat ze niet op haar niet-zien  afgerekend wordt. De vraag die haar gesteld wordt door de engelen, en later door de opgestane Heer zelf is er een vol van bewogenheid. “Waarom huil je?”  De vraag klinkt nog eens. Nu vanuit de tuin, vanuit het licht van de vroege morgen, op de derde dag, door de tuinman denkt zij. “Waarom huil je, wie zoek je?” Ook Jezus zelf erkent haar in haar diepe verdriet om haar verlies. En dat is de grote troost. Want ook de opgestane Heer, de verheven Christus is de bewogen Herder die omziet naar Zijn schapen in nood. Dat is de grote troost en vreugde van Pasen. Ook ons wil de opgestane Heer nabij komen en met ons zijn in onze pijn en ons verdriet. Gods bewogenheid, Christus bewogenheid gaat tot in het diepste van je hart. Ook aan ons stelt Hij die vraag: “Waarom huil jij?”

Maria kijkt om, van het donkere graf naar het vroege morgenlicht. Ze kijkt het eerste licht tegemoet en ze herkent de vraagsteller nog niet. Ze kan dat licht van de opstanding nog niet bevatten. Net zoals wij zo vaak. Zelfs als ze Zijn stem hoort weet ze het nog niet.

Haar gerichtheid op haar gestorven Heiland, de duisternis van de wereldlijke realiteit omsluit haar nog, zelfs al kan ze Jezus de opgestane Heer al letterlijk zien. Ze ziet het nog niet. Het is ook geen werkelijkheid waar zij rekening mee houdt. Ze kan het niet zien, omdat het verdriet bij haar nog zo vreselijk groot is. Maria antwoordt en heeft het nog nimmer in de gaten. ‘Jezus​ zei tegen haar: “Maria!” Het licht van de paasmorgen, het licht van de opstanding breekt nu ook aan in haar hart. Ze draait zich voor een tweede keer om en ziet nog eens naar Hem en herkent nu pas haar opgestane Heer.

Het aller wonderlijkste aan Pasen, aan Christus opstanding is dat al ons verdriet, al onze pijn, ook onze schuld, in het licht van de opgestane Heer verdwijnen, als Hij ook u en jou bij name roept en wij Hem eens van aangezicht tot aangezicht mogen zien. Het maakt van ons leven heus niet zondermeer een gemakkelijk bestaan zonder verdriet of zonder pijn. Maar Zijn opstanding en Zijn nabijheid zet ons leven wel in het perspectief van Gods Licht en Gods genade. Dat geeft met Pasen niet alleen een gevoel van diepe dankbaarheid, maar ook van immense vreugde.

Ds. Bram Verduijn

Christus, onze Heer, verrees, halleluja!
Heil’ge dag na angst en vrees, halleluja!
Die verhoogd werd aan het kruis, halleluja,
bracht ons in Gods vrijheid thuis, halleluja! (NLB 624)