Overdenking december 2018 / januari 2019

“Toen ​Jezus​ geboren was in Bethlehem in Judea, 
tijdens de regering van ​Herodes,
kwamen er ​magiërs​ uit het Oosten in Jeruzalem aan.
Ze vroegen: ‘Waar is de pasgeboren ​koning​ van de ​Joden?
Wij hebben namelijk Zijn ster zien opgaan
en zijn gekomen om Hem eer te bewijzen.’”

Mattheus 2: 1-2

De wijzen uit het oosten, wie zijn dat eigenlijk? Als je in Bethlehem bent en je richt je blik op het oosten dan ligt er een immense wereld voor je; Perzië, Mesopotamië, Babylonië, Indië, en nog vele andere onbekende landen. Dat ‘oosten’ is een wereld veel groter dan het kleine land Israël. Dan is Bethlehem al helemaal slechts een stipje op de kaart. De wijzen kunnen eigenlijk overal vandaan komen. Een exacte plaats van herkomst wordt van hen namelijk niet genoemd. In dat opzicht zijn ze voor ons onbekend. Maar juist daarom hebben ze ons wel iets te vertellen. In het Mattheus evangelie zijn juist die ‘onbekende’ wijzen uit het oosten aan wie als eerste dat grote wonder wordt getoond. Als het oosten staat voor de grote onbekende wereld, dan is voor dit evangelie van meet af aan duidelijk: het licht dat hier boven Bethlehem schijnt, schijnt over de gehele wereld. Want óók voor deze wijzen uit het oosten is ‘Zijn ster’ opgegaan.

Over wijzen in dat oosten, met name uit Perzië, is bekend dat ze probeerden aan de hand van sterren tekenen in de tijd te kunnen lezen en interpreteren. De bijbel moet er eigenlijk maar weinig van hebben, behalve deze ene keer; bij de wijzen uit het oosten. God de Heer geeft hen namelijk een teken dat zij in hun eigen taal kunnen verstaan! En Hij wijst door dat teken heen op iets veel groters: een vreemd en helder licht dat is opgegaan wijst óp de pasgeboren Messias. Deze stralende ster heeft hen aangezet op weg te gaan! Het licht dat wijst op de nieuwgeboren koning, daar willen zij heen!

De wijzen volgen hun teken, de ster, tot aan Bethlehem. Daar blijft de ster staan. De wijzen uit het oosten laten zich dus de weg wijzen. En dat is toch een bijzonder fenomeen: als wijze je de weg laten wijzen! Misschien is dat ook wel het begin van wijsheid, je de weg durven laten wijzen. En dan zeggen die wijzen: wij zijn gekomen om Hem eer te bewijzen. Ze laten zich ‘wijzen op’ en ze komen om ‘eer te bewijzen aan’. Met andere woorden, het gaat niet om henzelf. En daarmee is juist veel over die wijzen te zeggen. Hun afkomst is niet van belang. Belangrijk is dat ze in hun hele handelen niet naar zichzelf, maar naar het kindje in de kribbe wijzen. Hun ont-vankelijkheid voor dat wonder is hun wijsheid, en dat maakt die wijzen uit het oosten buitengewoon prachtige mensen om zeker ook een voorbeeld aan te nemen. Want ook onze weg door het leven lijkt misschien wel heel erg op hun weg.

Al zijn er voor ons misschien geen sterren in beweging, er zijn vast tekenen die ons wijzen naar Bethlehem. Welke ontmoeting, welk gesprek, welke ervaring, of welke Woord wijst u of mij, wijst ons op God, op het wonder in de kribbe? Het kan heel goed zijn onszelf die vraag te stellen. Omdat we op de weg van ons leven soms de tekenen die ons wijzen op dat wonder van Gods nabijheid gewoonweg vergeten of misschien niet meer kunnen zien. Omdat het onderweg zijn door het leven vaak vreselijk druk is en van alles constant onze aandacht vraagt. Omdat de weg eenzaam kan zijn, donker of zelfs duister zodat we geen tekenen kúnnen zien. Dan mag daar in het verborgene het licht van Advent doorbreken. Want ook aan ons wordt de weg tot Jezus gewezen. Eigenlijk kent het kerstevangelie dan twee verhalen. Dat eerste vinden we in de Bijbel en het vertelt ons hoe in Bethlehem onze Heiland is geboren. Het tweede verhaal is onze eigen weg naar Hem toe. Misschien sterkt het dat vele wijzen ons op die weg zijn voorgegaan. “Komt nu, o komt nu naar Bethlehem!” Wens ik u, jou en ons allen een goede Advent, een goede Kerst en gezegend nieuw jaar toe.

Ds. Bram Verduijn

Komt allen tezamen, jubelend van vreugde,
komt nu, o komt nu naar Bethlehem.
Ziet nu de Vorst der eng’len, hier geboren,
komt laten wij aanbidden,
komt laten wij aanbidden,
komt laten wij aanbidden,
die Koning!                                            (Liedbundel 86: 1)