Overdenking juni 2016

Psalm 30: 1-13

“Ik dacht in mijn zelfgenoegzaamheid, ‘Ik wankel nooit.’
Terwijl toch alleen door Uw liefde Heer,
ik steviger stond dan stoere bergen.”
“Nu zingt mij hart U voortaan toe,
en nooit, nooit zal ik meer zwijgen.”

Jeugdige onbezonnenheid kennen de meesten van ons. Misschien zijn we jeugdig en onbezonnen, of ouder en kennen die onbezonnenheid van vroeger nog: De wereld ligt aan je voeten, de kansen voor het oprapen, en je hebt de wil om iets van je leven te maken, hoe dan ook. Jeugdige onbezonnenheid heeft zo zijn eigen prachtige kanten. Het leven lacht je toe. Dat was bij mij, hoewel ik mij nog steeds jeugdig voel, zeker het geval: ik kan de hele wereld aan.

Toch verliezen velen, naarmate ze ouder worden hun on-bezonnenheid. En dat komt omdat het leven zelf vaak aangevochten wordt. Mensen maken ontzettend veel mee, hele mooie, en hele moeilijke dingen. Soms zijn de mooie momenten nauwelijks te beseffen en de moeilijke tijden nauwelijks te dragen. Naarmate wij ouder worden trekt het leven ook zijn sporen in onze ziel. En dan kan het moeilijk zijn om ontvankelijk te blijven voor al het goede dat ook in ons leven is. Je ziet het niet meer, het gemis naar vroeger tijden kan je beletten om in het heden te leven. De jeugdige onbezonnenheid is weg.

Een soortgelijke ervaring heeft ook de schrijver van deze psalm: David. Ook zijn leven is getekend door aanvechting. Zijn relatie met God wordt beproefd, niet zelden ook, omdat David het denkt alleen te kunnen. ‘Ik wankel nooit.’ Die gedachte is onbezonnen, zo stelt ook hijzelf vast. Want het zijn vaak die momenten in het leven – als we het moeilijk hebben – dat we beseffen waar het om draait: de liefde. Dan zijn er de mensen die om ons heen gaan staan, waar je je verhaal kwijt kunt, die je dragen in tijden van verdriet. Die mee-lijden met jou. Wij mensen hebben elkaar nodig, wij mensen leven uit liefde, liefde voor elkaar en liefde van God.

In de kerk vieren en beleven we dat bij uitstek. In de kerk belijden we, net als David, dat het uiteindelijk Gods liefde is die ons draagt. Dat het Zijn liefde is die ons voedt en dat wij uit die liefde met elkaar mogen leven. God is de vaste grond onder onze voeten. Alleen door Zijn liefde staan wij steviger dan stoere bergen. Door Zijn liefde mogen we zeggen: al is mijn leven nog zo aangevochten, al zijn mijn keuzes niet altijd de goede, als ik besef heb van Zijn liefde voor mij, maakt dat mijn leven niet meteen gemakkelijker, maar ik hoef niet te wankelen, want Hij is met mij. Vanuit Zijn nabijheid mogen we ook elkaar nabij zijn, op de moeilijke als ook op de mooie momenten.

De God van Jezus Christus, die wij belijden in de kerk, is er voor ons allemaal. En Zijn liefde voor mensen, zijn vergevingsgezindheid is meest zichtbaar geworden in het leven van Zijn Zoon. Wij nodigen iedereen uit, met een flinke dosis jeugdige onbezonnenheid, om van die genade, van die liefde te proeven. Iedereen is welkom, niemand uitgezonderd, om met ons mee te vieren dat het God is, die ons leven draagt.

Dat hoeven we niet terughoudend uit te spreken, maar mogen we gedurende ons hele leven onbezonnen en jeugdig van hart geloven en daarop vast vertrouwen. “Nu zingt mij hart U voortaan toe, en nooit, nooit zal ik meer zwijgen.”

Ds. Bram Verduijn