Overdenking juni 2018

En Hij zei: “Alzo is het Koninkrijk Gods, als een mens, die zaad werpt in de aarde, en slaapt en opstaat, nacht en dag, en het zaad komt op en groeit, zonder dat hij zelf weet hoe. De grond brengt vanzelf vrucht voort; eerst een halm, daarna een aar, daarna het volle koren in de aar. Wanneer dan de vrucht rijp is, laat hij er meteen de sikkel in slaan, omdat de oogsttijd aangebroken is.” 
Marcus 4:26-29

Een landbouwer weet het;  als je een gewas ingezaaid hebt, zul je moeten wachten, als het gewas opkomt, zul je moeten wachten.  Je kunt natuurlijk goed voor je gewas zorgen, onkruid wieden, kunstmest strooien, spuiten. Maar het gewas, het plantje zal zelf moeten groeien. En hoe goed de zorg ook moge zijn, daarmee vat je niet het wonder van de groei. Misschien krijg je wel meer oog voor dat wonder. Wachten is in de eerste plaats datgene wat je moet doen, het gewas komt dan vanzelf op. Kijk maar om ons heen, de aardappelen zijn opgekomen, de bomen staan in bloei en koren en tarwe herbergen graankorrels in de aren. De landbouwer werkt, en wacht ook vooral, tot de vrucht rijp is en de oogsttijd aanbreekt. Zo is het ook met het Koninkrijk Gods, zegt Jezus. En net als die landbouwer, moet ook de gemeente, moeten wij mensen leren om te: wachten…

Maar wachten is iets dat wij mensen behoorlijk lastig kunnen vinden. Wij mensen zijn vaak ongeduldig. Ongeduldig met elkaar. Maar ook ongeduldig met onszelf.  Maar ongeduld brengt ons geen vreugde. Wachten en geduld hebben kan vreselijk moeilijk zijn. Wachten op bijvoorbeeld de uitslag bij de dokter of  van het ziekenhuis. Dat kan heel zwaar zijn. Hoe lang houden mensen het wachten vol?

Dat kan net zo goed ook gelden voor ons geloof. Een vraag die we ons zelf wel eens kunnen stellen is: Waarom brengt God niet nu zijn vrede op deze aarde? En wensen we ook niet dat Hij dat doet. Dat we niet langer hoeven wachten? Dat dat beloofde Koninkrijk nu aanbreekt? Wachten is in het geloofsleven niet zelden het aller moeilijkste. Maar dan moeten we wel weten: wachten op God, dat is een van de kernzaken van ons als gelovige mensen. Samen gemeente zijn, in alle voor- en tegenspoed, betekent ook samen geduldig wachten. Want het is niet ons koninkrijk, maar het Zijne. Het is onze wereld ook niet, maar Gods wereld.

Zo ook is de kerkelijke gemeenschap niet de onze, maar in de eerste plaats die van Onze hemelse Vader. Het is een plaats waar Hij werkt en leven geeft. En dat mag ons bescheiden maken, geduldig, hoopvol, en wachtende. Gods koninkrijk is voor ons nog niet zichtbaar; wij zien nu niet dat alle dingen uiteindelijk aan Hem, de Heer onze God zijn. En tóch mag juist dát ons vertrouwen zijn in ons wachten. De schepping, de voltooiing, het is aan onze Heer. En dat koninkrijk van de Heer, dat eens voorgoed komen zal, mag nu al, als wachtenden op zijn goedheid, het hart van onze gemeente zijn. Want ons geduld, ons wachten staat ook tegenover een eindeloos wachten van de Heer zelf. Die telkens weer vol geduld Zijn ongeduldige kinderen leert hoe ze in de eerste plaats moeten wachten. Wachten op God betekent ook beseffen dat God op ons wacht.

Toch is ons wachten op Gods koninkrijk geen passief wachten. Geen niks doen. De landbouwer gaat er ook niet bij zitten. Hij werkt en wacht. Hij werkt en wacht omdat hij verwacht. En dat is voor de gemeente ook zo.  Ons wachten is ver-wachten. We moeten geduldig werken en geduldig wachten. We mogen groeien in vertrouwen, wachtende en verwachtende de Heer.

Wens ik ons toe, allemaal, dat we met geduld verwachten die Heer die in de eerste plaats, voor ons verwachten uit, op jou, op u en mij wacht, vol geduld en liefde, totdat Zijn gemeente rijp is voor de oogst.

Ds. Bram Verduijn

            Wil dan geven,
            dat ons leven
            zelf ook vruchtbaar zij.
            Laat in goede daden
            ’t Woord van Uw genade
            opgaan sterk en vrij.               (NLB 718)