Overdenking maart 2017

Onderweg naar Jeruzalem nam ​Jezus​ de twaalf ​leerlingen​ apart. Hij zei tegen hen: ‘We zijn nu op weg naar Jeruzalem, waar de ​Mensenzoon​ zal worden uitgeleverd aan de hogepriesters en de ​schriftgeleerden, die Hem ter dood zullen veroordelen. Ze zullen Hem uitleveren aan de heidenen, die de spot met Hem zullen drijven en Hem zullen ​geselen​ en ​kruisigen. Maar op de derde dag zal Hij worden opgewekt uit de dood.

                                                                       Mattheus 20: 17-19

Boete doen komt van het werkwoord boeten. En dat werkwoord betekent het repareren van gaten in vissersnetten. Als een visser op zee is geweest om vis te vangen, kan het zijn dat de netten beschadigd zijn geraakt. Daarom zal een visser voordat hij weer gaat vissen eerst zijn netten moeten controleren en zo nodig ook moeten boeten. Omdat je met een net vol gaten uiteindelijk geen vis zult vangen en met een heel net juist zoveel als kan. Het is heel goed mogelijk dat de leerlingen die Jezus bij het water riep precies hiermee bezig waren. De netten repareren vóór het vissen uit.

Ook ons hedendaags verstaan van boete doen lijkt nog op dit repareren: in het algemeen betekent boete doen het inlossen van een schuld die ontstaan is door een verkeerde handeling die een andere partij benadeeld heeft. Diegene die boete moet doen moet dan een handeling verrichten om wat hij verkeerd gedaan heeft te compenseren. In deze zin is boete doen een bepaalde vorm van vergelding. Als je thuis een boete op de mat krijgt dan houdt dat precies die vergelding in. Boete doen heeft dus te maken met herstellen, heel maken, vergelden.

Soms is er schuld die mensen met hun leven niet kunnen compenseren. Bij ernstige misdaden bijvoorbeeld, dan kan ook zeker het gevoel zijn dat iemand de boete nooit kan vergelden. De schuld kan niet vereffent worden, de boete niet voldaan. In gelovig opzicht hebben wij die houding tegenover God. Waarom? Omdat het zo vaak maar niet lukt om te voldoen aan Zijn wil, aan Zijn oproep tot vrede, naastenliefde en gerechtigheid. Kijk maar eens om ons heen, in onze wereld is nog altijd ontzettend veel mis: oorlog, misdaad, maar ook hebzucht of begeerte ten koste van anderen. Kortom, al die dingen die God niet wil krijgen wij mensen maar niet weg. Zo kunnen we de wonden die geslagen worden door oorlog of geweld niet heel maken. We kunnen bij wijze van spreken niet zelf de schade herstellen die wij helaas ook maken. En we kunnen niet vergelden alle dingen die mis gaan in de wereld of ook in ons eigen leven. 

En God onze Heer weet dat, daarom heeft Hij tot ons Jezus Christus gezonden. Niet voor niets zeggen we van Jezus Christus dat Hij diegene is die de boete op zich neemt, de schuld op zich neemt om ons de onschuld terug te geven. Dat is het allergrootste wonder. Zo is Jezus Christus ook daadwerkelijk onze Heiland (Heelmaker). Kennelijk geeft God in Jezus Christus zoveel om ons, dat Hij ondanks alles wat er mis kan gaan, wat wij mis doen, ons zozeer de moeite waard vind, dat Hij onze plaats in neemt en voor ons boete doet. Dat kan alleen een God doen die zielsveel van Zijn kinderen houdt.

We zitten in de veertigdagentijd, en Jezus opgaan naar Jeruzalem is begonnen. Hij weet al wat er zal gebeuren. Hij weet al dat Hij overgeleverd zal worden, dat Zijn vrienden Hem in de steek laten en dat Hij zal sterven. En toch zet Hij door. Hij had ook om kunnen keren, weg van het gevaar maar dat deed Hij niet. Hij zette door… Omwille van ons heil, omwille van u, van jou en van mij. Het offer dat Hij zal brengen is het heil van de mensen en is de volle genoegdoening voor alles dat fout gaat in het leven van mensen. Dat is onze hoop, dat is onze kracht en dat is Zijn liefde waartoe wij allen geroepen worden. Geroepen om van te getuigen, geroepen om in te geloven, geroepen om onszelf op Zijn verlossing en genade te richten.
                                                                       Ds. Bram Verduijn           

O liefde uit de eeuwigheid
die met ons mens geworden zijt,
wij bidden, laat ons niet alleen
in al het duister om ons heen,

opdat ook wij o Heer U niet
verlaten in Uw diep verdriet
maar bij U zijn in al de pijn
waarmee de mensen mensen zijn.                  (NLB 561)