Overdenking maart 2018

Pilatus​ had een inscriptie laten maken die op het ​kruis​ bevestigd werd. Er stond op ‘Jezus​ uit ​Nazareth,​ de koning​ van de ​Joden’.

Johannes 19:19

Je voelt het eigenlijk al direct aan. Dat bord wat daar boven het hoofd van Jezus Christus aan het kruis werd geslagen, de tekst die daarop staat, is veelzeggend. Jezus uit Nazareth, de koning der Joden. Een spottend bedoelde titel, maar ook woorden die onbedoeld misschien precies de waarheid uitspreken. Alles wat daar boven het kruis staat – in drie talen maar liefst – klopt. Het is waar, Hij ís dé koning der Joden.

Letterlijk stond er op dat bord boven het kruis: Jezus de Nazorener. Iemand die dus uit Nazareth komt. Een plaatsje in het onbeduidende achterland van Israël. Geen plek van grote betekenis in de geschiedenis van het volk van God. Het komt alleen terug in een profetie. Wilde je iets te vertellen hebben, dan moest je vooral uit de grote stad komen, uit de hoofdstad Jeruzalem bijvoorbeeld. Maar niet uit Nazareth. Dat woordje Nazorener werd zelfs in de tijd van de eerste christelijke gemeenten als een soort scheldwoord gebruikt voor christenen. Mindere mensen die geloven in Jezus uit Nazareth. Zo keken de religieuze leiders in Jeruzalem naar de volgelingen van Jezus Christus. In die cultuur van neerkijken op, en zelfs van grote verdrukking schrijft Johannes zijn evangelie.

En we moeten dit niet verkeerd verstaan. Het gaat de evangelist Johannes helemaal niet om dé Joden, volstrekt niet(!), de gemeenschap waar het Johannesevangelie is opgeschreven bestond uit Joodse mensen, en onze Heiland zelf komt uit het Joodse volk, uit Gods volk voort. Het gaat in het Johannes evangelie niet om dé Joden, maar om de religieuze leiders, die Jezus niet wilden, niet moesten, omdat Hij als Messias vooral hun positie, macht en rijkdom bedreigde. Die moest uit de weg. Als er dan boven dat kruis staat, Jezus uit Nazareth: dé koning der Joden, dan kun je begrijpen dat de trotse religieuze leiders uit Jeruzalem daar maar weinig mee hadden. Die man uit Nazareth als koning van de Joden. Niet voor niets brengen ze daarover ook hun beklag bij Pilatus. Ze vonden het aanstootgevend, en schaamden zich ervoor dat Jezus die titel van Pilatus kreeg. Maar Pilatus zat er met zijn opschrift niet naast. Alleen zag niemand dat, zelfs Pilatus zelf niet.

Het evangelie van Johannes begint er niet voor niets mee. ‘Hij kwam naar wat van Hem was, maar wie van Hem waren hebben Hem niet ontvangen.’ De hele Stille week, Goede Vrijdag, Stille Zaterdag en ook Witte Donderdag getuigen daar allemaal van: niemand kon de weg met Hem gaan en wie wel wilde liet het op de cruciale momenten afweten. “Ik ken Hem niet.” Jezus uit Nazareth stond in zijn laatste dagen en uren alleen, in Zijn laatste uur verlaten. En tóch volhardde Hij. Dat maakt dat alles wat daar boven het kruis opgeschreven is waar is. Jezus de man uit Nazareth is de koning van Gods volk omdat Hij volhardde in wat Zijn Vader van Hem vroeg.

Alles wat daar boven het kruis staat klopt. Niet omdat Pilatus dat zo bedacht heeft, niet omdat de religieuze leiders van Israël Hem kruisigden, maar omdat God dat zelf, omwille van ons, zo gewild heeft. Jezus​ zei tegen ​Petrus: “Steek je ​zwaard​ in de schede. Zou ik de ​beker​ die de Vader mij gegeven heeft niet drinken’’? Jezus sterft aan het kruis als de koning van Gods volk en zodoende ook als onze koning. Jezus is de Messias die de zonden der wereld wegdraagt, het Lam Gods. Het is geen toeval dat Hij sterft. Hij geeft Zijn leven doelbewust, door Zijn eigen angst heen, in gehoorzaamheid aan de Vader, omwille van onze verlossing. Voor ieder mens. Voor die Christus hoeven we ons nooit te schamen. Integendeel.

Ds. Bram Verduijn

U zij de glorie, opgestane Heer
U zij de victorie, U zij alle eer!
Alle menselijk lijden, hebt Gij ondergaan
om ons te bevrijden tot een nieuw bestaan
U zij de glorie, opgestane Heer
U zij de victorie, U zij alle eer.           (NLB 634)