Overdenking november 2017

“Deel in mijn vreugde, want ik heb de drachme gevonden die ik kwijt was.” 

“Laten we eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.”

Lucas 15: 6, 10, 24

Wanneer dit kerkblad uitkomt is het al weer bijna een maand geleden dat ons dochtertje gedoopt werd. Hora ruit luidt een Latijns spreekwoord, het betekent: de tijd vliegt. En dat doet de tijd inderdaad. Het is de kunst alleen, om soms zelf ook even stil te gaan staan. Bij de doopdienst van Wende hebben we de gelijkenis gelezen van de Herder die het verloren schaap zoekt (vers 1-7) Die gelijkenis hoort bij de gelijkenis van de vrouw die de drachme kwijt is geraakt. ( vers 8-10). En na het verloren schaap en de verloren drachme volgt het verhaal van de verloren zoon (vers 11-32). Heel het vijftiende hoofdstuk uit Lucas bestaat uit deze drie gelijkenissen. En dat is niet voor niets: ze horen bij elkaar; ze versterken elkaar; ze vormen een drieluik.

Dat is meest helder te zien in één gezamenlijk terugkerend refrein: In alle drie de gelijkenissen is er iets verloren: het schaap, de drachme, de zoon. Het schaap is afgedwaald van de kudde, de drachme weggerold, en de zoon weggelopen. Het verloren schaap wordt door de herder gezocht, de verloren drachme wordt gezocht door de vrouw, en de vader zoekt voortdurend met zijn ogen het landschap af op zoek naar de verloren zoon. In alle drie de gevallen is het refrein niet dat het verlorene verloren blijft, maar dat het verlorene gevonden moet worden. Dat de vrouw net zo lang door zoekt, tot ze het drachme gevonden heeft.

Een gelijkenis vormt een verhaal dat niet per se werkelijkheid is, maar wel een verhaal waarin we onszelf kunnen herkennen omdat het raakt aan iets waarop wij lijken. Zo zijn wij niet letterlijk schapen, maar figuurlijk snappen we precies wat Jezus bedoeld als Hij zegt dat Hij de Herder is, en wij zijn schapen. De vraag in een gelijkenis is eigenlijk altijd: op wie lijk ik, op wie lijkt u, op wie lijken wij. En als je een gelijkenis op die wijze leest, dan kan het zomaar eens heel erg dichtbij komen, in uw – jouw diepste binnen, in uw hart. En dát willen die gelijkenissen uit het vijftiende hoofdstuk van Lucas.

Het verlorene moet gevonden worden. Als die herder een schaap mist, dan móet hij erop uit. Als de vrouw een drachme mist, dan steekt ze de lamp aan om het te zoeken. Ze maakt licht in de duisternis om te vinden wat van haar is en stopt niet totdat het terecht is. Zo gaat ook de Herder op zoek. Hij móet erop uit. Op zoek naar die ene. Naar datgene wat verloren is. En in de kerk kennen we eigenlijk allemaal dat gevoel wel: ik ben dat schaap, ik zit nog niet in die kudde….. Weet dan, die Herder, die zoekt ook U. Dat is de allergrootste troost die ons geloof ons te bieden heeft. We worden gezocht!

Het hart van de drie gelijkenissen bestaat er uit dat God, dat Jezus, het verlorene wil zoeken en vinden. Maar daarmee is nog niet alles gezegd. Want het refrein van de drie gelijkenissen kent nog een regel: Ik heb gevonden het verloren schaap, de verloren drachme en de verloren Zoon: Deel in mijn vreugde! Delen in vreugde, dat is de taak van de gemeenschap. Wij delen de vreugde met elkaar omdat God altijd op zoek is, naar u, naar jou en naar mij, naar álle mensen. Geen uitgezonderd. En als wij met elkaar mogen ervaren dat wij samen een kudde vormen van schapen die door God terug gebracht zijn in de stal, wat is het dan een grote troost en een grote kracht te bedenken dat als wij samen Zijn gemeenschap vormen, dat Jezus Christus niet alleen ons vindt, maar nog altijd buiten is en de gevaren van de nacht trotseert, op zoek naar dat verloren schaap dat ook gevonden moet worden. ‘Deel in Mijn vreugde’.

Herder, neem Uw schaapje aan.
Hoofd maak het een van Uw leden
Wees zijn / haar weg, wijs het zijn / haar baan
Vredevorst, wees Gij zijn/ haar vrede
Wijnstok, laat dit rankje bloeien,
Dat er eens veel vruchten groeien.                     (NLB 347: 2)

Ds. Bram Verduijn