Overdenking oktober 2016

“Onze Hulp is in de Naam van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft.” (Ps. 124: 8)

“Die trouw blijft tot in eeuwigheid” (Ps. 146: 6)

“En niet laat varen, het werk van Zijn handen” (Ps. 138: 8)

In ons geloof belijden we dat God onze aarde geschapen heeft. We zeggen het iedere zondag in de kerk met bovenstaande woorden. Het is in ons geloof zo gewoonlijk geworden om over God als Schepper te spreken dat we soms ook voorbij kunnen gaan aan wat dat nu eigenlijk betekent: Schepper. Als wij het hebben over schepping, dan denken wij heel vaak aan het begin. God heeft geschapen en daarna gebeurde dit, en toen gebeurde dat. Dat God heeft geschapen klopt, maar het zegt nog lang niet alles over God als Schepper. Want God is Schepper van hemel en aarde.

God als Schepper zien vraagt om een bepaalde levenshouding: die van geloof. In het Grieks is het woordje voor geloof pistis; en dat betekent net zo goed: vertrouwen. Geloof is de hoogste vorm van vertrouwen en in dat vertrouwen staat niet eerst het natuurkundige bewijs voorop, maar het vertrouwen in de Allerhoogste. Vanuit dat vertrouwen kijken wij gelovigen naar de natuur. Een woordje dat overigens in de bijbel zelf niet voorkomt. Daarin wordt consequent van schepping gesproken. Zo ook mogen wij naar de schepping om ons heen kijken, naar elkaar. God is Schepper mag een geloofs­zekerheid zijn, een grondvertrouwen dat wij mogen uitspreken: God is onze Schepper. Deze wereld is van Hem, en ook wijzelf, ieder afzonderlijk, zijn we door Hem geschapen. Allemaal zijn wij van Hem.

“Alles is uit Hem ontstaan, alles is door Hem geschapen, alles heeft in Hem zijn doel. Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen.” (Romeinen 11:36). Geloven in God als Schepper houdt mede in: geloven dat Hij op die schepping betrokken blijft, dat Hij trouw blijft, dat Hij zijn werk niet loslaat. Dat is geen zekerheid van steen, of een natuurkundige moleculaire zekerheid, maar een basis­vertrouwen dat in ons mag groeien en aan al het ‘wereldse weten’ vooraf gaat. “God bestaat toch niet uit moleculen?” zei mijn docent Oude Testament eens tegen mij, en zo is het: God hoeven we niet te ‘bewijzen’. Onze Heer vraagt om vertrouwen, omdat Hij trouw blijft en in ons leven werkt. God vraagt ons te bouwen op geloofs- zekerheden, en een geloofszekerheid is dat Hij niet loslaat, de werken van Zijn handen.

In het Hebreeuws, de grondtaal van het Oude Testament, is het woord Schepper, niet diegene die geschapen heeft, maar diegene die nog steeds aan het scheppen is. Als God schept, dan schept Hij voortdurend. Als wij dus belijden dat God Schepper is, dan mogen wij erop vertrouwen, er zekerheid in vinden, dat God nog altijd met Zijn wereld, met ons bezig is, nog steeds schept. De schepping gaat door, ook na Genesis 1 en 2, en elk nieuw leven mag daar het bewijs van zijn.

God schept nog altijd, soms is dat moeilijk te zien, en hebben mensen er veel vragen bij, maar het mag juist ook ons vertrouwen, ons houvast zijn. De Heer heeft zich met ons mensen ingelaten en laat dat nimmer meer los. In Hem vindt de schepping zijn doel. Bij Hem komen we pas thuis. En daarom mogen we vanuit ons geloof ook met zekerheid zeggen: “God is wel onzichtbaar, maar alles wat Hij geschapen heeft, bewijst Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid.” (Romeinen 1:20)

Hij blies ons van Zijn adem in.
Hij, hemelhoog verheven,
heeft ons in Adam één begin,
één levensdoel gegeven:
te wonen op Zijn aarde, waar
het goed is, goed om met elkaar
in Zijn verbond te leven.                                         (NLB 825)

Ds. Bram Verduijn.