Overdenking September 2017

HEER, U kent mij, U doorgrondt mij, U weet het als ik zit of sta,
U doorziet van verre mijn gedachten. Ga ik op ​weg​ of rust ik uit,
U merkt het op, met al mijn ​wegen​ bent U vertrouwd.
Geen woord ligt op mijn tong, of U, HEER, kent het ten volle.
U omsluit mij, van achter en van voren, U legt uw hand op mij.  Wonderlijk zoals U mij kent, het gaat mijn begrip te boven.
Hoe zou ik aan Uw aandacht ontsnappen, hoe aan Uw blikken ontkomen?  Klom ik op naar de hemel – U tref ik daar aan, lag ik neer in het dodenrijk – U bent daar. Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad, al ging ik wonen voorbij de verste zee,  ook daar zou Uw hand mij leiden, zou Uw rechterhand mij vasthouden.

Psalm 139

Bovenstaande woorden zijn bij veel mensen bekend en geliefd. Je kunt je namelijk in de woorden van de psalmist persoonlijk verplaatsen. De Almachtige is ook betrokken op míj. Het is een intieme belijdenis van de psalmist. En het roept vooral goddelijke geborgenheid op. Met al mijn wegen bent U vertrouwd. Waar ik ook ben, Uw rechterhand zal mij vasthouden.

De psalmist wil in zijn woorden geen goddelijke bemoeienis bloot leggen, maar uiting geven aan hoe de almachtige Heer op een tedere wijze diep persoonlijk verbonden is met hem. Het gaat niet om een lege beschouwing van de Heer, maar om het liefdevolle persoonlijke contact dat David ervaart met Zijn Heer, Zijn God die hem omsluit. Die is altijd en overal, waar dan ook, op Vaderlijke wijze voor hem present; tegenwoordig in zijn leven.

Daarom begint de psalm ook op de eerste plaats, met God: Ú kent mij… Ú doorgrondt mij… Niemand kent mij, zoals U dat doet. De psalmist David omschrijft zo zijn ervaring van diepe goddelijke genegenheid. Zijn woorden mogen ook onze woorden worden. Tot troost, tot zegen, tot overgave. Ook op jou, op u, op mij wil God Zijn hand leggen. En ook voor ons mag gelden: “Klom ik op naar de hemel – U tref ik daar aan, lag ik neer in het dodenrijk, U bent daar.”

Al zou er dus niemand op de wereld zijn die kan begrijpen wat u, wat jij moet doormaken in uw of jouw eigen leven, dan is er altijd nog die Éne, God de Heer. Die zich ook over jou, over u bekommert. Als een Vader, die je omsluit: “U legt Uw hand op mij.” Dat is het wonderlijke, zo wonderlijk zelfs dat het ons verstand te boven gaat. Als wij daar diep over nadenken, of misschien wel anders, de tijd nemen, om stil te gaan staan, dan mag dat besef ook ons hart verstillen in diepe verwondering.

David geeft daar uiting aan door de zeggen: “Het is wonderlijk zoals U mij kent, dat gaat mijn verstand te boven.” In de psalm lijkt de beweging constant uit te gaan van God, maar genegenheid kan alleen maar worden ervaren in wederkerigheid, in erkenning. En precies dat doet de psalm: ‘Heer die mij ziet zoals ik ben, dieper dan ik mijzelf ooit ken’ dicht Jan Willem Schulte Nordholt van de gezongen psalm vrijelijk, maar precies raak. Als je de psalm verder leest dan drukt de psalmist die wederkerigheid diep uit: “Daarom, hoe kostbaar zijn mij, o God, Uw gedachten!” (vs. 17) Gods persoonlijke genegenheid, het weet hebben daarvan, is voor David, en dat mag het ook voor ons zijn, een kostbaar goed. Het is van onschatbare waarde.

De persoonlijke betrokkenheid die God met ons, met u, met jou wil hebben laat zich niet vangen in systemische voorstellingen, het laat zich voelen in het hart, het laat je weten dat je, dat u gekend bent op een wijze die nooit te vatten is in verstand of woorden. En dat is in de eerste plaats, diepe goddelijke genegenheid. Wens ik ons allen toe dat wij dit geheim zorgvuldig en diep in ons hart als een kostbaar goed bewaren.

Ds. Bram Verduijn

Ik loof U die mijn Schepper zijt,
die met Uw liefde mij geleidt,
Gij hebt mijn oerbegin aanschouwd,
in ’t diepst der aarde opgebouwd.
Niets blijft er voor Uw oog verborgen.
Ja, Gij omringt mij met Uw zorgen.                        (NLB 139)